Update van het zesde-generatiemodel Overijsselse Vechtdelta 2025 : schematisatie sobek-ovd-j24_6-v2a1
Author(s) |
W.W. Leemeijer
Publication type | Report Deltares
Dit rapport beschrijft de ontwikkeling, afleiding, kalibratie en validatie van het zesde generatie 1D SOBEK model voor de Overijsselse Vechtdelta (sobek ovd j24_6 v2a1). Het model is gebaseerd op het geactualiseerde 2D-model dflowfm2d-ovd-j24_6-v2a en de vorige iteratie van het 1D-model sobek ovd j24_6 v1a1. Dit model zal gebruikt worden voor de berekening van waterstanden en afvoeren binnen het areaal van Rijkswaterstaat Oost-Nederland (RWS-ON), Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD) en Waterschap Vechtstromen (WVS).
Er zijn een aantal aanpassingen doorgevoerd ten opzichte van sobek ovd j24_6 v1a1 op basis van wijzigingen in het 2D-model. De benedenstroomse rand is verder richting het Ketelmeer gelegd, zodat de Ramspolkering kon worden opgenomen, inclusief de volledige RTC sturing zoals die in het 2D model is toegepast. Ook is bij Genemuiden een extra knoop toegevoegd, waardoor het model daar kan worden afgeknipt. De profielen in het gehele systeem zijn opnieuw afgeleid met FM2PROF (versie 2.4.0), waarbij foutieve profielen in de Duitse Vecht en rondom stuwen zijn gecorrigeerd. Voor de profielen in retentiegebieden Kampereiland en de Meene is ook FM2PROF gebruikt, echter bevat elke retentietak maar 1 profiel, waarbij het volume wordt toegewezen door de gebiedstakken.
Na modelopbouw is het model gekalibreerd op basis van het 2D model. Op de Duitse Vecht resulteerde dit in verschillen van ongeveer 0 tot 20 centimeter ten opzichte van het 2D model. Deze afwijkingen hangen samen met versmallingen door bruggen en met de hoogwatergeul Flutmulde, die in de 1D versie bij een te lage afvoer begint mee te stromen. Op de Overijsselse Vecht blijven de verschillen op sommige trajecten oplopen tot ongeveer 12 centimeter. Dit heeft deels te maken met de ligging van meetlocaties direct achter stuwen, maar ook met het feit dat in het 1D model bochten, nevengeulen en lokale versmallingen minder gedetailleerd kunnen worden weergegeven dan in 2D. Daarentegen, zijn op het Zwarte Water de verschillen na kalibratie klein, mede doordat het verhang in dit gebied beperkt is. Daardoor wordt het Zwarte Water niet goed gekalibreerd voor hoge afvoeren.
Bij de vergelijking voor de standaardsommen presteert het 1D model goed bij lage afvoeren, maar nemen de verschillen toe naarmate de afvoer stijgt. Bij hogere afvoeren stroomt er in het 2D-model meer water naar retentiegebieden dan in het 1D-model, dit zorgt voor de grootste verschillen. Dit verklaart ook de verschillen die benedenstrooms op het Zwarte Water zichtbaar worden. In de Flutmulde blijkt in 1D twee tot drie dagen eerder water te stromen dan in het 2D model, wat de waterstanden in de Duitse Vecht verlaagt. Voor de Noord en Zuid Meene treden eveneens significante verschillen in instroommoment op, waarbij bovendien de locatie van instroom in 1D niet altijd overeenkomt met de instroomlocatie die het 2D model laat zien. Ook op het Kampereiland ontstaan dergelijke verschillen, al treedt het eerste moment van overstromen daar in beide modellen op ongeveer hetzelfde tijdstip op. Echter, omdat het 2D model geen afvoerlocaties op deze retentietakken bevat, is de hoeveelheid instromend volume moeilijk te vergelijken. Dit beperkt de validatie op deze takken. Tenslotte blijkt dat windinvloeden niet overal overeenkomen met het 2D-model. De windshielding is nu nog uniform toegepast, terwijl de vergelijking met 2D laat zien dat per tak een andere instelling mogelijk leidt tot betere resultaten. Echter is gekozen om dit niet toe te passen omdat het mogelijk was de windshielding mee te nemen in de kalibratie.