Beknopte analyse slibbalans ARK : met doorkijk naar zachte bodemafdichting
Auteur(s) |
L. de Wit
Publicatie type | Rapport Deltares
De omgeving van het Amsterdam-Rijnkanaal tussen Breukelen en Nigtevecht heeft te maken met overmatige kwel en wateroverlast. Op basis van beschikbare gegevens is een beknopte analyse uitgevoerd om te onderzoeken of er nog natuurlijke aanslibbing op de kanaalbodem te verwachten is. Dit is relevant voor de doorlatendheid van de kanaalbodem, omdat een laag klei en of slib de doorlatendheid van de zandige bodem sterk kan verminderen. Daarnaast is de mate van aanslibbing van belang voor de periode waarin een oplossing met slib en of klei effectief kan blijven.
De achtergrondstroming, bodemligging, bodemsamenstelling en sedimentconcentraties in het Amsterdam-Rijnkanaal zijn geanalyseerd. De slibbalans die hieruit is afgeleid, is slechts indicatief en sterk afhankelijk van aannames die nodig zijn vanwege de beperkte beschikbaarheid van gegevens. Uit de analyse komt het beeld naar voren van een langzaam eroderend systeem. Dit blijkt zowel uit de slibbalans op grotere schaal van het gehele noordpand van het kanaal als uit de sedimentbalans op basis van peilingen van de bodemligging in het interessegebied tussen Nigtevecht en Breukelen. Er is daarom geen netto natuurlijke aanslibbing op de kanaalbodem te verwachten. Op basis van de beschikbare gegevens ligt het meer voor de hand dat juist langzaam slib erodeert en uit het systeem wordt afgevoerd.
Wanneer op het Amsterdam-Rijnkanaal een zachte, lokale oplossing wordt toegepast die tijdelijk in suspensie kan komen door scheepspassages, zoals te verwachten is bij een zand bentonietmengsel, is de noordwaartse achtergrondstroming van circa 25 kubieke meter per seconde relevant voor de werking van deze oplossing. Door scheepspassages kan bentonietklei worden opgewerveld en door de achtergrondstroming in noordelijke richting worden verplaatst voordat deze weer bezinkt. Hierdoor zal een zachte oplossing zoals een zand bentonietmengsel geleidelijk dunner worden. Het wordt daarom aanbevolen om in een pilot de opwerveling van bentonietklei en het resterende noordwaartse transport ervan te meten, om de onzekerheid over de afnemende laagdikte weg te nemen.