bodem van het drooggelegde Julianakanaal : analyserapport van het veldwerk voor en na de drooglegging
Auteur(s) |
M.P. Hijma
|
E.K. Leentvaar
Publicatie type | Rapport Deltares
In 2024 is het Julianakanaal tussen Berg aan de Maas en Born drooggelegd voor verdiepings- en verbredingswerkzaamheden. Deze unieke situatie bood de kans om geofysische metingen vóór de drooglegging te combineren met kanaalbodemonderzoek ná de drooglegging. Hierbij waren er twee doelstellingen:
1. Inzicht verkrijgen in de karakteristieken en robuustheid van de kanaalbodem
2. Toewerken naar ontwikkeling van een generieke aanpak voor kanaalbodemonderzoek.
Het kanaal heeft een unieke ligging doordat het aangelegd is op hooggelegen Maasterrassen, waardoor de grondwaterspiegel meestal lager staat dan de kanaalbodem. Rondom Berg aan de Maas ligt het kanaal volledig ingegraven, terwijl richting Born er steeds hogere dijken nodig zijn langs het kanaal. Het kanaal ligt verder in een geologisch complex gebied en kruist verschillende actieve breukzones en oude Maasterrassen. In de ondergrond komen veel verschillende typen sediment voor, variërend van rivierafzettingen (grind, zand, klei), windafzettingen (siltige löss) tot mariene afzettingen (zand).
Het kanaal is aangelegd tussen 1930-1935 en ontwerptekeningen geven aan dat er een kleilaag van 0,6 m is aangebracht, met daarop een afdekkende grindlaag van 0,4 m. Later zijn op diverse plekken bentonietmatten en asfaltplaten aangebracht, en ook is deze opbouw op veel plaatsen verstoord door werkzaamheden en lektesten.
Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van zowel varend ingewonnen data (seismiek, multibeam en multibeam backscatter) als data verkregen tijdens veldwerk op de droge bodem van het kanaal (boringen, doorlatendheidstesten, oppervlaktemonsters, observaties in sleuven, dronebeelden).
Conclusies doelstelling 1
De combinatie van seismiek en boringen was een effectieve methode om zowel de kleilaag te karteren als om inzicht in de opbouw van de ondergrond te verkrijgen. Materiaal uit de boringen, die zijn uitgevoerd op de drooggezette kanaalbodem, is daarnaast gebruikt om de doorlatendheid van de kleilaag te bepalen. De doorlatendheid is ook direct op de kanaalbodem bepaald met behulp van infiltrometingen. Uit beide metingen volgde een zeer lage doorlatendheid, met een gemiddelde van 3,17·10-5 m/dag. De kleilaag blijkt verder overwegend aanwezig en functioneel als waterremmende laag. De gemiddelde dikte van 0,5 m en de lage doorlatendheid zorgen voor een hoge hydraulische weerstand van gemiddeld 16.000 dagen.
Conclusies doelstelling 2
Voor toekomstig kanaalbodemonderzoek wordt een integrale, multidisciplinaire aanpak aanbevolen, waarbij begonnen moet worden met een gedegen systeemanalyse die aansluit bij het doel van het project. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale situatie. Dit lijkt vanzelfsprekend, maar de praktijk wijst regelmatig anders uit.