Effectbepaling meergeulensysteem Waal
Auteur(s) |
B.F. Maas
|
N.E.M. Asselman
|
S.W. Bakker
|
A. Becker
|
C.J. Sloff
Publicatie type | Rapport Deltares
Het programma Ruimte voor de Rivier 2.0 (RvdR2.0) is voornemens om de rivierbodemerosie te stoppen. Een oplossingsrichting die in dat kader wordt onderzocht betreft de aanleg van een meergeulensysteem (MGS). De geulen zorgen voor rivierverruiming en lagere stroomsnelheden. Haskoning (2025) heeft twee varianten van een meergeulensysteem onderzocht om meer inzicht te krijgen in de rivierkundige werking. Beide varianten zijn doorgerekend met een hydraulisch model in D-HYDRO (gebaseerd op dflowfm2d-rijn-beno19_6-v1b). De eerste variant bestaat uit een combinatie van langsdammen met oevergeulen (OG). De tweede variant gaat uit van versmalling door kribverlenging in combinatie met uiterwaardgeulen (UG). Alle oever- en uiterwaardgeulen hebben een drempel bij de inlaat waardoor ze pas vanaf de Overeengekomen Lage Afvoer (OLA) van 1020 m3/s te Lobith mee gaan stromen. Bij beide varianten is de hoofdgeul met 30 m versmald. Dit rapport betreft de effectbepaling van beide varianten op basis van de resultaten van de hydraulische berekeningen.
Hydraulica
De versmalling verhoogt bij lage afvoeren de waterstanden op de Waal tot ca. 20 cm en leidt tot ca. 15 m³/s extra afvoer richting IJssel. Boven 1020 m³/s stromen de geulen mee en verdwijnt de opstuw. Tussen 1300–1600 m³/s zijn de waterstanden vrijwel gelijk aan de huidige situatie. Bij 4000–6000 m³/s zorgen de geulen voor grote waterstandsdaling (OG: tot 40 cm; UG: ca. 10 cm extra). Bij >16.000 m³/s resteert maximaal 25 cm verlaging. De afvoerverdeling verschuift dan richting Waal.
Morfologie
Beide varianten kunnen erosie op de Waal stoppen, mits de verruiming geleidelijk afneemt in stroomopwaartse richting en overlappende geulen worden voorkomen. De UG variant heeft bovenstrooms te veel verruiming en vraagt optimalisatie. Lokale bodemeffecten zijn nog niet onderzocht. Klimaatscenario’s tonen dat bij droogte erosie iets lastiger te stoppen is; ontwerp moet daarom aanpasbaar blijven (bijv. drempelhoogtes).
Onderhoudsbehoefte is nog onzeker door gebrek aan kennis over sedimenttransport in de geulen.
Natuur
Het areaal permanent water neemt toe (meer bij UG). Rustige geulen (afgeschermd van scheepvaart) zijn gunstig voor macrofauna; UG biedt meeste variatie en ecologische kansen. Hogere stroomsnelheden, vooral bij OG, kunnen echter beperkend zijn. Overstromingsduur verandert beperkt bij OG, sterker bij UG door doorsneden zomerkades. Laagwaterstanden stijgen beperkt (ca. 5 cm). Mogelijk zijn drempels nodig om extra drainage te voorkomen, vooral bij UG. Aanzanding en onderhoudsbehoefte zijn nog onzeker.
Zoetwaterbeschikbaarheid
Een MGS verhoogt bij lage afvoeren de IJsselafvoer met ca. 15 m³/s, maar bij 1300 m³/s resteert slechts ca. 5 m³/s extra – minder dan gewenst voor zoetwateraanvoer. Optimalisatie van drempelhoogtes en versmalling kan dit verbeteren.
Bevaarbaarheid
Waterdiepte neemt beperkt toe (10–20 cm bij OLA), wat knelpunten betreft de vereiste vaardiepte vermindert (Waal: van ~5 naar 2; IJssel: van ~60 naar 30). Meer onderhoud is echter te verwachten door verhoogde morfodynamiek.
Waterveiligheid
Beide varianten verlagen hoogwaterstanden tot ca. 25 cm. Met name OG verschuift de afvoerverdeling bij grote afvoeren sterk richting Waal (ca. +200 m³/s), waardoor zonder extra verruiming de beleidsmatige verdeling niet wordt gehaald. De dijkversterkingsopgave neemt slechts beperkt af.
Klimaatverandering
Een MGS verzacht negatieve effecten, maar compenseert deze niet volledig. Bij sterke klimaatverandering blijft vaardiepte ondanks MGS afnemen. Ook zoetwaterbeschikbaarheid en natuur profiteren slechts beperkt.
Vervolgstappen
Aanbevolen wordt:
1. Kennisleemtes verkleinen, o.a. over sedimenttransport, stabiliteit van geulen en splitsingspunten, interactie met andere maatregelen en geactualiseerde erosieprognoses.
2. Ontwerp optimaliseren voor grotere effectiviteit, adaptief vermogen, fasering en monitoring.