Kombergingsrapportage Amelander Zeegat
Auteur(s) |
C.H. Meijers
Publicatie type | Rapport Deltares
Dit rapport is de kombergingsrapportage van het Amelander Zeegat. Het is een naslagwerk voor de beheerders van de Waddenzee (beheerbibliotheek) en bevat de actuele kennis van de morfologie. Het voorliggende rapport is een update van de vorige versie uit 2017 van Albert Oost en Jelmer Cleveringa. In deze update zijn inzichten uit de nieuwste studies verwerkt en zijn figuren en statistieken geactualiseerd met de meest recente bodemdata.
Het Amelander Zeegat wordt besproken aan de hand van verschillende schaalniveaus, waarbij wordt begonnen met de grootschalige kenmerken van het hele bekken en in de daaropvolgende hoofdstukken wordt ingezoomd. De complete ontwikkeling en systeemwerking van het Amelander Zeegat wordt samengevat in een conceptueel model in Hoofdstuk 2. Lezers die een overkoepelend beeld willen vormen van het systeemgedrag van het Amelander Zeegat wordt aangeraden zich te richten op dit hoofdstuk. Het laatste hoofdstuk, Hoofdstuk 9, beschrijft de samenhang tussen de (morfologische) ontwikkelingen zoals beschreven in dit rapport en de belangrijkste gebruiksfuncties en beheervragen. Hier worden onder anderen waterveiligheid, nautische bereikbaarheid, baggeronderhoud en natuurwaarden besproken.
Macroschaal (schaal van het bekken)
Hoofdstuk 3 beschrijft de hydrodynamica van het Amelander Zeegat. Gemiddelde hoog- en laagwater stijgen bij zowel Holwerd als Nes. Omdat de hoogwaters sterker toenemen dan de laagwaters neemt de getijslag licht af. Debieten door het zeegat namen volgens modelberekeningen toe tot de jaren ’80 en nemen sindsdien af.
In Hoofdstuk 4 wordt de morfologische ontwikkeling van het Amelander Zeegat besproken. Hierbij wordt eerst ingegaan op de historische ontwikkelingen (§4.1): in de Middeleeuwen was het bekken verbonden met de Middelzee, waardoor het veel groter was dan tegenwoordig en een langgerekte vorm had. Met het verdwijnen van de Middelzee is het bekken kleiner geworden en van vorm veranderd, waardoor het zwaartepunt naar het oosten is opgeschoven, en ook de wantijen naar het oosten zijn gemigreerd. Ook de hoofdgeul Borndiep is hierdoor in oostelijke richting opgeschoven. Menselijke ingrepen zoals het graven van doorsteken in de vaargeul naar Ameland en aanleggen van dammen (met als bekendste voorbeeld de grotendeels weer verdwenen dam van Teding Berkhout die een verbinding van het vasteland naar Ameland zou vormen) hebben een grote invloed gehad op het bekken.
Ook tegenwoordig is het bekken nog altijd in verandering (§4.2). Langs de vastelandskust vindt veel sedimentatie plaats, waardoor geulen die het zuidelijke deel van het bekken bedienen (Dantziggat en Vaarweg Ameland) minder water voeren, kleiner worden en zich terugtrekken. Centraal in het bekken hebben zich grote veranderingen voorgedaan in het hoofdgeulsysteem. De verbinding van de Vaarweg Ameland met het Kikkertgat, die werd gebruikt door de veerboot naar Ameland, is doorsneden door een andere geul, de Zuiderspruit. Hierdoor moet nu door zandige drempels gebaggerd worden om de veerboot de Zuiderspruit te laten oversteken.
Hoofdstuk 5 geeft de sedimentbalans en een overzicht van de volumeveranderingen in het bekken. Het Amelander Zeegat importeert netto sediment, gemiddeld ruim 1,6 miljoen m3 per jaar. Daarnaast wordt het bekken kleiner door oostelijke verschuiving van het wantij onder Terschelling (waarschijnlijk nog een gevolg van de afsluiting van de Zuiderzee), waardoor de hoeveelheid water die met elk getij het bekken in- en uitstroomt kleiner wordt.
De sedimentatie vindt met name plaats in ondiepe geulen (< NAP -3 m), op droogvallende wadplaten en op de kwelders. Het areaal intergetijdegebied (droogvallende wadplaten) neemt hierdoor toe, terwijl het onder water liggende areaal (subgetijdegebied en geulen) juist afneemt.
Mesoschaal (schaal van geulen en platen)
In de hoofdstukken die hierop volgen wordt ingezoomd op individuele elementen zoals geulen (Hoofdstuk 6), platen (Hoofdstuk 7) en kwelders (Hoofdstuk 8). De laatste jaren zijn er veel onderzoeken uitgevoerd naar de morfologie rondom de vaarroute van de veerboot naar Ameland, welke zijn samengevat in Hoofdstuk 6. De vaargeul bij de veerdam van Holwerd meandert sterk, wordt ondieper en trekt zich terug door afnemende kombergingsvolumes, waardoor hier veel slib gebaggerd wordt (§6.7). Centraal in het bekken bij de Zuiderspruit bevindt zich een dynamisch gebied waar de vaargeul meerdere zandige drempels moet oversteken (§6.6)