Monitoring Perkpolder : rapportage resultaten 2024
Auteur(s) |
R. van den Meiracker
|
K.H. Wesdorp
|
W.R.L. van der Star
Publicatie type | Rapport Deltares
In Perkpolder is in 2015 een nieuw buitendijks natuurgebied aangelegd ter grootte van 55 hectare. Als gevolg van de aanleg is de zeedijk landinwaarts komen te liggen. Bij de aanleg van de nieuwe zeedijk is thermisch gereinigde grond (TGG) verwerkt als kernmateriaal. De dijk is afgedekt met een leeflaag.
Naast het natuurgebied is -op het voormalige veerplein- een terp aangelegd tot een hoogte van 10 m boven NAP. In de terp is aan de noordzijde een kering verwerkt ter hoogte van de Koppeldijk. In de kern van deze kering is eveneens TGG verwerkt. De kering is afgedekt met een harde asfaltbekleding waarop een leeflaag is aangebracht.
In 2018 en 2019 is onderzoek naar (het gedrag van) de TGG uitgevoerd. Uit deze onderzoeken blijkt dat het materiaal een hoge pH heeft en op diverse plekken verhoogde gehaltes aan diverse zware metalen en vluchtige verbindingen (zoals benzeen en tolueen) bevat. Uitloging uit de TGG leidt tot verhoogde waardes in het grondwater direct onder de TGG. Bovendien wordt via zijwaartse afstroming de kwelsloot beïnvloed.
In 2020 is een meerjarig monitoringsprogramma gestart waarin de waterbodem van de kwelsloot, het grondwater (in de directe omgeving van de dijk), het oppervlaktewater (de kwelsloot en het buitendijks natuurgebied) en de grasbekleding periodiek worden gemonitord. Dit is de rapportage van het 5e monitoringsjaar, 2024. In 2021 is het meetnet uitgebreid met extra peilfilters zodat over 7 raaien het grondwater en oppervlaktewater in de directe omgeving van de dijk kan worden gemonitord. In 2024 is het meetnet gemonitord in 3 monitoringsrondes.
Op basis van een verhoogde bromide concentratie, de bromide-chloride verhouding (in zout water, of bij hoge verhoudingen in zoet water) soms in combinatie met een verhoogde sulfaat-chlorideverhouding (in zoet water) kan worden onderzocht of er indicaties zijn voor mogelijke uitloging vanuit de TGG. Langs linker raai van de Zuidelijke dijk (B41) en de middelste raai van de westelijke dijk (B3.1) werd in het grondwater direct onder de TGG en in de peilbuis direct naast de kwelsloot (aan de dijkzijde) (B1.1) een sterk verhoogde bromide-chloride verhouding waargenomen gepaard met een (zeer) hoge concentratie bromide. Met name in het grondwater bij de westelijke dijk is een meerjarige trend te zien van steeds hogere bromide-chloridegehaltes en bromide concentraties direct onder de TGG, hoewel de hoogste bromide concentraties in 2024 lager liggen dan in 2023. In het grondwater bij de zuidelijke dijk is een toenemende trend niet waarneembaar. De verhoogde waarden zijn een indicatie dat er op deze locaties in de westelijke en zuidelijke dijk mogelijk uitloging vanuit de TGG naar het grondwater plaatsvindt.
Langs de middelste raai van de westelijke dijk werden in 2024, net als in voorgaande jaren, sterk verhoogde concentraties arseen waargenomen in het grondwater. Arseen komt van nature verhoogd voor in Zeeland (160 µg/l), maar de concentraties die langs de middelste raai van de westelijke dijk worden waargenomen zijn dermate hoog (>200 µg/l), dat een andere bron voor de verhoogde concentraties arseen denkbaar is. In combinatie met de hoge bromide-chloride verhouding en de hoge concentratie bromide in het grondwater zou de TGG een mogelijk bron van het verhoogde arseen kunnen zijn. Ook op de Koppeldijk werden hoge concentraties arseen waargenomen, maar in dit dijkdeel is geen indicatie van mogelijke uitloging vanuit de TGG.
In het grondwater tussen de linker en rechterraai van de Zuidelijke dijk (B8) worden sinds 2018 normoverschrijdingen van de streefwaarde voor molybdeen waargenomen, in 2024 werd ook voor het eerst de interventiewaarde voor molybdeen overschreden. In de buurt van deze locatie neemt de molybdeen concentratie in de waterbodem (S8) ook de afgelopen jaren toe. Het grondwater op locatie B8 is heeft een laag chloride gehalte, waardoor de een verhoging van de bromide-chloride verhouding niet direct indicatief is voor TGG. De zeer sterke verhoging (100x de zeewaterverhouding) en daardoor de goede meetbaarheid van bromide, maakt dat in dit geval op basis van bromide een relatie met TGG kan worden aangenomen. Daar komt bij dat de het sulfaatgehalte erg hoog is, wat ook een karakteristiek is van TGG bij ATM geproduceerd in de periode van aanleg.
Overige metalen zoals barium, chroom, zink en nikkel werden aangetroffen in het grondwater in en rondom Perkpolder, daarbij werd sporadisch de streefwaarde overschreden en in 2024 overschreed chroom eenmalig de interventiewaarde (locatie B9, in de kwelsloot van de zuidelijke dijk). Deze metalen werden op veel verschillende plekken aangetroffen, waardoor er geen verband met de toegepaste TGG lijkt te zijn.
PFAS worden op verschillende locaties in en rondom Perkpolder aangetroffen. Uit de huidige resultaten blijkt geen verband tussen de TGG en de meeste PFAS verbindingen, zo worden hoge concentraties PFAS ook gemeten in de Westerschelde (eigen metingen, en Data Rijkwaterstaat (RWS, 2025)) en in het getijdegebied bij Perkpolder. Voor PFOA daarentegen geldt dat de hoogste concentraties worden gemeten in het grondwater direct onder de TGG, waardoor een relatie met de TGG niet uitgesloten kan worden. Belangrijkste aandachtslocaties zijn daarbij opnieuw langs de middelste raai van de Westelijke dijk en de linker raai van de Zuidelijke dijk. Op deze locaties zijn de verhoogde bromide-chloride gehaltes een indicatie voor mogelijke uitloging vanuit de TGG. PFOA concentraties in het oppervlaktewater van zowel de Zuidelijke als de Westelijke kwelsloot zijn vergelijkbaar als op referentielocatie O20.2 (bovenstrooms in de Westelijke Perkpolder), waarmee geen verband waarneembaar is tussen de PFOA concentraties in het oppervlaktewater en de TGG. 6:2 FTS wordt soms gerelateerd aan TGG en is ook eenmalig in samenstellingsonderzoeken aangetroffen. In de afgelopen 2 jaar is het soms meetbaar (maar nooit in meerdere monitoringsrondes), en niet op die plekken waar een correlatie met TGG op andere parameters wordt gezien. Ook hier is dan ook geen verband tussen TGG en het voorkomen in het grondwater.
Het binnendijkse oppervlaktewater bij de locaties van de Westelijke dijk (de kwelsloten) wordt niet of beperkt beïnvloed door TGG, wat te zien is aan een slechts licht verhoogde bromide-chloride verhouding ten opzichte van zeewater. Langs de Zuidelijke dijk is in het oppervlaktewater op basis van de bromide-chlorideverhouding een mogelijke beïnvloeding zichtbaar.
Van andere locaties of parameters is niet direct duidelijk of ze kunnen worden toegeschreven aan de aanwezigheid van de TGG.
Er zijn geen bijzonderheden aangetroffen in de grasbekleding die wijzen op een negatieve invloed van de TGG in de kern van de dijk. De ontwikkeling van de grasmat verloopt vergelijkbaar als op nieuwe dijken zonder TGG.
In de periode van oktober t/m december zijn debietmetingen gedaan aan de kwelvoorziening. Het doel van deze metingen is om vast te stellen wat de huidige debieten zijn, en de variatie daarvan, zodat een aan te leggen verzamelleiding voor de kwelvoorziening goed kan worden gedimensioneerd. De debieten volgen bij hoogwater de vorm van het getij, en zijn bij laag water constant. De helft van de kwelvoorziening aan de zuidelijke dijk was verstopt en er trad daar nauwelijks water naar buiten richting kwelsloot. De gemiddelde debieten van de kwelvoorziening in 2015 op de 2 gemeten punten zijn hieronder weergegeven, net als de op basis van 1-malige metingen bij de overige uittreepunten, berekening van het totale debiet.