PMT stoffenonderzoek : fase 2
Auteur(s) |
G. Pijcke
|
G. Hendriksen
Publicatie type | Rapport Deltares
Persistente, Mobiele en Toxische stoffen (PMT-stoffen) zijn lastig te zuiveren met de huidige technologie die gebruikt wordt in de drinkwaterbereiding in Nederland. Daarom heeft de landelijke Werkgroep Aanpak Opkomende Stoffen (WAOS) in 2019 de behoefte geuit om op landelijk niveau een aanpak te formuleren voor deze stoffen. Dit onderzoek heeft als doel om inzicht te verkrijgen in de mogelijkheden en beperkingen om met behulp van automatisering gegevens over stoffen en hun gebruik te koppelen. Dit zou dan vervolgens gebruikt kunnen worden om de stoffen te prioriteren en toe te werken naar handelingsperspectief met als doel het vóórkomen van PMT-stoffen in oppervlaktewater te beperken.
Het automatisch koppelen van gegevens over emissies en bronnen voor groten getale (op het moment >10.000) PMT stoffen is niet eenvoudig. Allereerst zijn dit soort gegevens maar voor een beperkt aantal stoffen beschikbaar. Ten tweede vraagt automatisch koppelen om machine-to-machine uitwisselbare bestandsformaten. In lang niet alle gevallen zijn de hier gebruikte databases daarvoor geschikt.
De beperkte beschikbaarheid van emissiegegevens uitgesplitst naar bron maakt het lastig die informatie te gebruiken om een prioritering aan te brengen in een lijst met een groot aantal stoffen. Daarom is dit onderzoek teruggevallen op REACH productietonnages en de KEMI water exposure score die voor een deel ook gebaseerd is op REACH productietonnages. De KEMI water exposure score is hierbij ingezet als emissiescore. Deze is gecombineerd met de PMT score om zodoende te kunnen prioriteren op basis van stofeigenschappen (uitgedrukt door de PMT score) en voorkomen in oppervlaktewater (water exposure score). Het nadeel van deze aanpak is dat productietonnages niet noodzakelijkwijs iets zeggen over de hoeveelheid geëmitteerde stof naar oppervlaktewater. Daarnaast zijn de publiek beschikbare REACH tonnages beschikbaar als bandbreedtes op EU niveau. Met andere woorden, de gegevens zijn niet uitgesplitst per land of stroomgebied. Dit betekent dat de gebruikte gegevens niet altijd van toepassing zijn op de Nederlandse situatie.
In dit onderzoek is verder gebleken dat voor veel van de stoffen met een hoge gecombineerde score geen metingen beschikbaar zijn in ofwel de database Landelijke Enquête Waterkwaliteit (LEW) of de meetgegevens van RIWA-Rijn en RIWA-Maas. Voor deze stoffen wordt aanbevolen om verder te onderzoeken waarom deze niet gemeten worden. Indien nodig wordt aanbevolen alsnog te gaan meten. Sommige stoffen worden gemeten maar niet gedetecteerd. Hierbij is van belang nader te onderzoeken of dit komt door een hoge detectielimiet voor die stof. Een andere oorzaak kan zijn dat zo’n stof niet relevant is voor de Nederlandse situatie. Voor stoffen die wel gemeten worden, wordt aangeraden verder te onderzoeken in hoeverre de metingen er op duiden dat deze stoffen problematisch zijn. Dat kan door deze te koppelen aan gegevens over normen en/of signaleringswaarden indien deze beschikbaar zijn voor die stoffen. Verder wordt aangeraden om productietonnages los te koppelen van de emissiescore. Een startpunt hiervoor is om de procedure om tot de water exposure score te komen te herhalen en aan te passen, waarbij het gebruik van productietonnages dan vermeden wordt.