Roosteruitbreiding Maas voor Extreem Hoogwater en morfologie
Auteur(s) |
E.C. van der Deijl
Publicatie type | Rapport Deltares
Op dit moment zijn er drie verschillende roosters voor de Maas. Het is wenselijk om uiteindelijk één rooster actueel te houden, in plaats van meerdere roosters parallel te beheren. Daarom is onderzocht of het uitgebreide rooster grid-maas_40m-v2_net.nc, met uitbreiding naar de hoger gelegen gebieden en naar Monsin, kan worden toegepast binnen actuele Maas-modelschematisaties.
Met het Maasmodel dflowfm2d-maas-j23_6-v1c, afgeleid uit baseline-maas-j23_6-v1, is getest of het in de breedte met hoger gelegen gebieden uitgebreide rooster “maas_40m_v2020_1.61_net.nc”, met de modelboundary Lixhe-Keizersveer vergelijkbare resultaten geeft ten opzichte van het model dflowfm2d-maas-j23_6-v1a, afgeleid met het oorspronkelijke rooster “grid-maas_40m-v1_net.nc” en de modelboundary Lixhe-Keizersveer.
De verschillen bleken beperkt en verklaarbaar. Bij toepassing van het rooster “grid-maas_40m-v2_net.nc”, waarin ook de uitbreiding naar Monsin is opgenomen, werden voor het Maasmodel dflowfm2d-maas-j23_6-v1b echter grotere en deels onverklaarbare waterstandsverschillen gevonden. De verschillen varieerden van circa -3 tot +1,9 cm voor de stationaire afvoer van 3200 m³/s en namen toe tot circa -3 tot +2,7 cm voor een afvoer van 6000 m³/s.
Aanvullend onderzoek van Ottevanger (2025) toonde aan dat deze verschillen niet primair door het rooster zelf werden veroorzaakt, maar door inmiddels opgeloste softwarematige effecten rondom de circumcenterbepaling en de fixed-weir-afhandeling. Daarom is in Fase 2 de verschilanalyse opnieuw uitgevoerd met aangepaste circumcenterinstellingen en met de software D-HYDRO 2026.01 waarin deze bugs zijn opgelost. Hiervoor zijn de roosters en Baseline-projecties opnieuw aangemaakt.
De nieuwe resultaten laten zien dat de resterende verschillen tussen de modellen binnen de modelboundary Lixhe–Keizersveer nu in lijn zijn met de verwachting. Het effect van de uitbreiding naar hoger gelegen gebieden blijft zichtbaar en verklaarbaar, met het grootste verschil van 0,8 cm rond rkm. 122. Het resterende effect van de uitbreiding naar Monsin is beperkt: bij de bovenstroomse modelrand resteert een verschil van circa 0,1 cm, veroorzaakt door de andere uitlijning van het rooster bij stuw Lixhe.
Op basis van deze analyses kan worden geconcludeerd dat het nieuwste rooster “grid-maas_40m-v2_net.nc”, met zowel de uitbreiding naar hoger gelegen gebieden als de uitbreiding naar Monsin, kan worden toegepast voor de projectie van al de Maasmodellen.
Voor modellen waarin het traject Lixhe-Monsin niet gewenst is kan tijdens de modelprojectie een uitsnede worden gemaakt met behulp van de modelboundary Lixhe-Keizersveer. Het grotere model kan worden geprojecteerd met de modelboundary Monsin-Keizersveer.
De in Fase 1 geconstateerde grote verschillen waren geen direct gevolg van de roosteruitbreiding zelf, maar van inmiddels opgeloste softwarematige effecten rondom de circumcenterlocatie en de afhandeling van fixed weirs. Omdat deze softwarewijzigingen ook effect kunnen hebben op eerdere modelresultaten, loopt een apart onderzoek naar de mogelijke noodzaak van herkalibratie van de Maasmodellen.