Ruimtelijke Verkenning Duurzaam Gebruik van de Ondergrond : Module 2: Ondiepe Ondergrond - Deelrapport Beschrijving van het huidige gebruik van de ondiepe en middeldiepe ondergrond
Auteur(s) |
C.G.C. van Baak
|
T. van Woerkom
|
E.K. Leentvaar
|
K.H. Wesdorp
|
A. Marsman
Publicatie type | Rapport Deltares
Achtergrond en doel
Het gebruik van de Nederlandse ondergrond speelt een steeds belangrijkere rol voor het invullen van de infrastructuur-, energie-, drinkwater-, grondstoffen- en warmtebehoeften. Het “Ruimtelijke Verkenning Duurzaam Gebruik van de Ondergrond”-project wordt uitgevoerd om de potenties van de ondergrond in beeld te krijgen en een vooruitblik te geven waar in de toekomst kansen en knelpunten (kunnen) ontstaan. De ondergrond van Nederland is een complex en gelaagd product van miljoenen jaren aan
interactie tussen de Noordzee en delta-vormende riviersystemen onder variërende klimatologische- en tektonische omstandigheden. Deze geologische diversiteit maakt de ondergrond geschikt voor uiteenlopende functies. De menselijke activiteiten in de ondergrond zijn echter afhankelijk van de natuurlijke potentie en bescherming die het sediment in de ondergrond biedt. Dit terwijl de ondergrond zelf ook een (eco-)systeem vormt waarvan de draagkracht belangrijk is voor het duurzaam gebruik op de lange termijn. Zoals ook in bovengrondse ruimtelijke ordening vraagstukken zijn water-en-bodem-sturend principes ook van toepassing op het integreren van de ondergrondse ruimte voor bovengrondse vraagstukken. Sommige activiteiten zijn niet overal toepasbaar onder optimale condities door de geologische omstandigheden. Dit beperkt de beschikbare ruimte en de indeling van de ondergrond met oog op de vraag naar water, warmte en grondstoffen. De natuurlijke potentie van de ondergrond is daarnaast niet overal technisch bruikbaar. Voor de technische potentie kijken we ook naar limitaties vanuit de techniek of randvoorwaarden die gesteld worden door beleid. Zo kan bijvoorbeeld de vraag aan het oppervlak bepalend zijn of de natuurlijke potentie ook daadwerkelijk gebruikt kan worden. Uitdagingen ontstaan onder andere in gebieden met een grote vraag en weinig beschikbare ruimte, of juist in gebieden waar hoge ondergrondpotentie is voor meerdere toepassingen. Bij beperkt huidig gebruik kunnen deze gebieden met hoge ondergrondpotentie ook juist een kans voor efficiënt gebruik in de toekomst vormen. In uitdagende omstandigheden vergt de toenemende vraag naar ondergrondse gebruiksruimte om goede afstemming van functies zoals drinkwaterwinning, energieopslag en infrastructuur. Om al deze activiteiten optimaal te implementeren is een driedimensionale (3D) benadering van de ondergrond mogelijk gewenst. Activiteiten kunnen mogelijk gescheiden op verschillende dieptes onder elkaar bestaan, mits goed doordacht, gepland en gereguleerd.
Het project: Ruimtelijke verkenning duurzaam gebruik van de ondergrond, volgt een aanpak met drie Modules: In Module 1 wordt door TNO de natuurlijke potentie voor een aantal functies in de diepe ondergrond in kaart gebracht vanaf 500 m en dieper die onder de mijnbouwwet vallen. Module 2 brengt de natuurlijke potentie van de ondiepe en midden diepe ondergrond (>50 m en 50-500 m) in kaart. Deze potentie wordt aangescherpt door huidige beleidsregels zoals uitsluitingsgebieden en transportmogelijkheden van het aanbod naar de vraag. Zo is warmte slecht transporteerbaar en wordt de potentie van een open bodemenergiesysteem (OBES) of geothermiesysteem gelimiteerd door de locaties van de warmtevraag. In Module 3
zullen kansen en knelpunten worden geïdentificeerd, waarbij wordt gekeken naar combinatiemogelijkheden maar ook (technische) conflicten tussen functies.
Aanpak
Dit rapport richt zich op de ondergrond tot een diepte van 500 m diep, waarbij we vooral kijken naar het ruimtegebruik van de verschillende ondergrondactiviteiten. Kaarten met 2D ruimtegebruik dienen als eerste inventarisatie, waar diepte informatie beschikbaar is wordt het 3D ruimtegebruik van de activiteiten. Dit rapport beschrijft de potentie die de Nederlandse ondergrond tot 500 meter diepte biedt als bron voor ondiepe delfstoffenwinning, hoofdleidingennetwerk en provincie-overschrijdend
netwerk, grondwateronttrekkingen en bescherming, tijdelijke opslag van water in de ondergrond en energietransitie in de middeldiepe ondergrond. Op basis van informatie- en datalagen van de ondergrond, aangevuld met informatie over functies aan maaiveld en huidige toepassingen van ondergrondfuncties, wordt ruimtelijk inzicht gegeven in de natuurlijke potentie, de (huidige) technische en beleidsmatige limitaties en het huidige gebruik. Daarmee wordt ook een eerste inzicht gegeven in de toekomstige mogelijkheden van de ondergrondse activiteiten. Dit rapport laat zien dat niet elke activiteit overal in Nederland toepasbaar is. Sommige gebieden zijn beperkt geschikt, terwijl andere regio’s juist voor meerdere toepassingen kunnen worden gebruikt
Resultaten en conclusies Module 2
Dit rapport concludeert dat het gebruik van de ondiepe- en middeldiepe (tot ~500 meter) ondergrondse ruimte een complexe uitdaging is. Sommige regio’s, zoals de Randstad, combineren een hoge natuurlijke potentie voor verschillende toepassing met een grote maatschappelijke vraag naar ondergrondruimte. In andere gebieden, zoals Twente, is de potentie voor meerdere functies aanzienlijk lager. Door dit soort verschillen zichtbaar te maken, ontstaat beter inzicht in waar prioriteiten moeten worden gesteld en waar mogelijke ruimteclaims in de toekomst kunnen conflicteren. Dit wordt verder behandeld in Module 3. Tegelijkertijd laat dit rapport zien dat het huidige inzicht in de dieptedimensie van het ondergrondgebruik nog beperkt is. Veel data over de diepte waarop toepassingen plaatsvinden, zoals bodemenergiesystemen of aquifers voor grondwaterwinning, zijn onvoldoende beschikbaar en niet landelijk vastgelegd. Ook data voor het inschatten van het indirecte ruimtegebruik is niet altijd beschikbaar. Met name de dieptedimensie van het ondergrondgebruik is onvoldoende in kaart te brengen op basis van publiek beschikbare data. Voor veel toepassingen ontbreekt het aan gedetailleerde en centraal toegankelijke digitale data over de diepte waarop activiteiten plaatsvinden. Zo wordt voor OBES-systemen het indirecte ruimtebeslag sterk beïnvloedt door de pompvermogens en waarden van de temperatuurverschillen in het aquifer, wat voor veel systemen nu nog niet standaard wordt vastgelegd. Voor een complete 3D-benadering van de ondergrond zijn gerichte verbeteringen in data-verzameling en inrichting gewenst.