Verkenning haalbaarheid diepe zandwinning Noordzee
Auteur(s) |
T. Vermaas
|
P.W.J.M. Willemsen
|
R.M. Veldhuizen
|
S.M.F. Mestdagh
Publicatie type | Rapport Deltares
Deze verkenning onderzoekt de haalbaarheid van diepe zandwinning tot 12 m onder de zeebodem in de Noordzee als alternatief voor het huidige beleid van winning tot 4 en soms 6 m diepte. Ook is gekeken naar zandwinning in voormalige windparken en mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik van kabeltracés. De aanleiding voor beide onderdelen is een verwachte toename van zandbehoefte voor kustverdediging en ophoogzand door zeespiegelstijging.
Dit rapport is voornamelijk gebaseerd op bestaande literatuur en expert kennis. Daarnaast is gebruik gemaakt van het offshore model van de ondergrond ten behoeve van zandwinning – het Delfstoffen Informatie Systeem (DIS). Er zijn vragen rondom drie onderwerpen onderzocht:
Geologie:
• Op welke gebieden is het mogelijk dieper te winnen?
• Hoe kan er rekening gehouden worden met de aanleg van kabels?
Morfodynamiek:
• Wat is het effect van dieper winnen op de morfologie van de omliggende zeebodem en welke risico’s zijn er ten aanzien van de afstand tot bestaande infrastructuur?
• Is het mogelijk om na ontmanteling van een windpark op deze locatie zand te winnen?
Ecologie:
• Welk effect heeft diepe zandwinning op de natuur, rekening houdend met de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) en Natura 2000 doelstellingen?
De belangrijkste bevindingen zijn:
Geologie:
• Ook op grotere diepte is geschikt zand aanwezig, maar in mindere mate dan in de eerste 6 meter. Het type zand is voor de meeste delen van de kust vergelijkbaar qua korrelgrootte op grotere diepte, alleen bij Zeeland is er duidelijk meer grof zand op grotere diepte aanwezig.
• Wanneer er zand wordt gewonnen vóórdat kabels worden aangelegd levert geen problemen op voor kabelaanleg mits de helling niet te steil is. Langs een volledig kabeltracé komt wel een groot volume in één keer beschikbaar, waar een geschikte suppletielocatie voor moet zijn. Technisch is het mogelijk om kabels veel dieper te leggen, waarna erboven zand zou kunnen worden geworden gewonnen. Hiervoor is echter wel aanpassing van bestaande wetgeving nodig en zijn er verschillende vraagstukken rondom risico’s die nader uitgewerkt zouden moeten worden.
Morfodynamiek:
• Diepe putten vullen zich langzaam (decennia tot eeuwen) en migreren beperkt (meters per jaar). Er is geen significante invloed op de kustlijn bij putten gemaakt in waterdieptes >14 m.
• Het is aannemelijk dat voormalige windparken geschikt zijn voor zandwinning, waarbij wel rekening moet worden gehouden met de minimale afstand tot een (oude) turbine en andere infrastructuur. Hiertussen blijft echter nog een gebied met een significante oppervlakte over voor zandwinning.
Ecologie:
• Door verandering van abiotiek (bathymetrie, initieel verdieping, waarna (beperkte) opvulling plaatsvindt; sedimentkarakteristieken, waaronder korrelgrootte en slibgehalte; en hydrodynamiek, waaronder bodemschuifspanningen) na zandextractie in (middel)diepe winputten veranderen benthische gemeenschappen, veelal resulterend in minder diversiteit van benthos. Volledige herkolonisatie vindt niet plaats op een tijdschaal van decennia in (middel)diepe winputten. Of dit op langere tijdschalen wel het geval is, valt te betwijfelen door een veranderde kolonisatiegeschiedenis van de winlocatie en blijvend veranderde abiotiek. Door een blijvend veranderde abiotiek, gaat – in de geest van KRM – ook de kwaliteit van de habitat achteruit.