Het nieuwe IPCC rapport: wat nu?

Gepubliceerd: 8 maart 2022

De boodschap die vorige week maandag werd verkondigd in een nieuw rapport van het klimaatbureau van de Verenigde Naties (IPCC) is helder: klimaatverandering bedreigt mens en planeet. De mogelijkheden om een leefbare toekomst veilig te stellen, slinken snel. Wat nu?

De klimaatverandering heeft wereldwijd gevolgen voor mens, natuur en infrastructuur. De helft van de wereldbevolking heeft al te maken met waterschaarste. Ook Europa zal meer van die waterschaarste gaan merken, met name in Zuid-Europa, maar ook in onze regio. Hittestress zal voor meer slachtoffers zorgen, vooral in dichtbevolkte gebieden. Warmt de wereld met  3℃ op, dan zal de schade door overstromingen vanuit zee eind deze eeuw minstens vertienvoudigd zijn in Europa. Zeespiegelstijging is een existentiële bedreiging voor kleine eilanden en laaggelegen kustgebieden. Zelfs al piekt de opwarming tijdelijk boven 1.5℃., dan zijn er onomkeerbare effecten zoals het verdwijnen van sommige natuur, en smelten van gletsjers en poolijs.

Het IPCC-rapport benadrukt nogmaals de urgentie om de uitstoot van broeikasgassen te reduceren. Op die manier kunnen we de gevolgen van de klimaatverandering beperken, en krijgen we tijd om ons aan te passen.

Nieuw in het rapport zijn de ‘dominogevolgen’. Daarbij leidt bijvoorbeeld hitte tot droogte, die weer leidt tot bosbranden waardoor water niet meer goed wordt vastgehouden en de kans op een overstroming groter wordt. Ook de grote nadruk op de samenhang tussen mens, natuur en klimaat is nieuw. De natuur kan beter meebewegen als we haar meer bescherming en ruimte bieden – naast de nodige herstelmaatregelen die we óók moeten treffen. Op die manier kan de natuur gevolgen van de klimaatverandering, zoals overstromingen en hittestress, beperken en helpt ze uitstoot van broeikasgassen, zoals uit verdroogde veengebieden, voorkomen.

Het IPCC heeft ook naar oplossingen gekeken die bijdragen aan een duurzame toekomst.  Ook in Europa past men zich aan de klimaatverandering aan (adaptatie). Investeren in adaptatie weegt veelal op tegen de kosten van de schade die anders zou zijn ontstaan en komt bovendien ons welzijn en levensonderhoud ten goede.

Adaptie, en de investeringen daarin, zorgen dus niet alleen voor een prettiger leven, het is ook economisch voordeliger.

Het rapport bespreekt mogelijkheden om ons aan te passen. Zo zijn er waarschuwingssystemen en zouden we meer ruimte aan het water moeten geven, bij de rivieren en in de steden, wat kan leiden tot minder slachtoffers en minder schade bij overstromingen. Vergroening van steden en aangepast bouwen kunnen hittestress beperken. Een efficiëntere opslag van water, het hergebruik en het vasthouden van water kunnen droogte en waterschaarste beperken.

En toch, zouden we alle maatregelen doorvoeren, dan nog is waterschaarste in sommige Europese regio’s niet helemaal te voorkomen.

Adaptatie heeft grenzen, door bijvoorbeeld door de hogere temperatuur of beperkte ruimte, en is nog niet voor iedereen mogelijk. Bovendien, als het klimaat verder en sneller neemt de effectiviteit van maatregelen af en hebben we er steeds minder tijd voor. Daarom moeten we ook kijken naar het voorkomen van bouwen  in risicogebieden, zoals laaggelegen kustzones of in overstromingsvlakte van de rivier. Ook moeten we ons voorbereiden op het verplaatsen van menselijke activiteiten zoals woningbouw, landbouw en industrie.

Belangrijke belemmeringen voor adaptatie zijn gebrek aan financiën, kennis, maatschappelijk bewustzijn en politiek leiderschap. We kunnen de mogelijkheden voor adaptatie dus deels zelf beïnvloeden, zeker in een land als Nederland met veel geld en kennis. Maar we moeten ook de ontwikkelingslanden steunen bij hun initiatieven om zich aan de klimaatverandering aan te passen.

Daarvoor moeten we én groter denken én verder vooruit denken. De onderzoekers van het IPCC rapport zijn duidelijk: de invoering van maatregelen blijft achter. Tot nu toe gaat het vooral om regionale, sectorale maatregelen zoals het, op beperkte schaal, ophogen van de dijken en de aanvoer van water naar gebieden waar waterschaarste heerst.

Er zijn echter grote veranderingen in ons leven, gedrag en infrastructuur nodig om tot klimaatrobuuste ontwikkelingen te komen. Daarbij valt te denken aan veel meer ruimte voor water, groen en water in de stad, het niet bouwen in risicogebieden, het vernatten van veengebieden, het telen van andere gewassen. Andere transities, zoals de energietransitie, horen daar onlosmakelijk bij. Steden zijn hotspots: daar komen de gevolgen van klimaatverandering samen, vooral aan de kust, en daar zijn juist veel mogelijkheden om zich aan te passen aan klimaatverandering of deze tegen te gaan.

Mijn oproep is dus dat moeten ons veel sneller moeten aanpassen en daarvoor groter moeten denken. Dat is nodig om de voortschrijdende klimaatverandering, risico’s en opeenvolgende effecten bij te benen. Die gaan sneller dan ooit tevoren. Het rapport is duidelijk dat we al effecten ondervinden en bij elke graad opwarming krijgen we daar, op de lange termijn, een ‘zeespiegelerfenis’ van ruim 2 m bij. Daarom moeten we nu, ook de lange termijn benodigde adaptatie-opgave meenemen en innoveren om tijdige implementatie van maatregelen te waarborgen en verkeerde investeringen te voorkomen. Denk hierbij aan innovaties voor drijvend wonen, investeringen in hoog Nederland en maatregelen die flexibel zijn om uit te breiden bij een steeds verder gaande klimaatverandering.

Samengevat: de komende jaren zijn cruciaal voor onze toekomst.  Met goede intenties of her en der een tegel uit de tuin komen we er niet. Zeker niet als we niet op grote schaal klimaatverandering tegen gaan (mitigatie), dan maken we het veel moeilijker voor volgende generaties. Hoe gaan we dat dan uitleggen aan onze kleinkinderen? We weten wat de klimaatgevolgen zijn, er zijn oplossingen en er is nog tijd om te innoveren. Leiderschap is nodig en we moeten allemaal, overheid, bedrijven en burgers, aan de bak. We moeten klimaatmitigatie en adaptatie nu serieus nemen en niet langer op ‘snooze’ drukken. Laten we onze mouwen opstropen, opschalen en versnellen om ervoor te zorgen dat iedereen – mens, natuur en ook in andere plekken op de wereld – zich kan aanpassen.

Marjolijn Haasnoot is wetenschapper klimaatadaptatie bij Deltares en hoofdauteur van het IPCC-rapport.

Deze column is afkomstig uit het NRC van zaterdag 5 maart.

Zie ook het Deltares nieuwsbericht over het IPCC-rapport (WGII).