Deltares omarmt nieuwe gedragscode wetenschappelijke integriteit

Gepubliceerd: 14 september 2018

Deltares omarmt de nieuwe Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit die op 1 oktober 2018 van kracht wordt. De nieuwe code, die van toepassing is op zowel fundamenteel als praktijkgericht onderzoek, is gemoderniseerd en biedt nadrukkelijk ruimte voor samenwerking en interdisciplinariteit. Dit zijn competenties die Deltares hoog in het vaandel heeft. Bovendien sluit de code naadloos aan bij de normen die Deltares hanteert om de wetenschappelijke kwaliteit van haar kennis en haar onafhankelijkheid te waarborgen. Deltares' ambitie om zo transparant mogelijk te zijn en kennis te delen wordt eveneens door de code ondersteund.

De nieuwe versie van de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit is gelanceerd op 14 September 2018. Een intensieve samenwerking tussen de KNAW, NFU, NWO, TO2-federatie -waar Deltares onderdeel van uitmaakt- de Vereniging Hogescholen en de Vereniging van Universiteiten heeft geleid tot een grondige herziening en verbreding van de code, die al sinds 2004 bestaat. Deze herziening, inclusief een publieke consultatie, werd in goede banen geleid door een commissie onder leiding van prof. dr. Keimpe Algra. De code gaat in op 1 oktober 2018.

Wetenschappelijke integriteit

Commissievoorzitter prof. dr. Keimpe Algra: “Voor het goed functioneren van de wetenschap is wetenschappelijke integriteit van essentieel belang. Met deze nieuwe code sluit Nederland aan bij internationale ontwikkelingen op het gebied van wetenschappelijke integriteit. Ik ben er trots op dat we een code opgesteld hebben die toepasbaar is voor zowel fundamenteel als toegepast en praktijkgericht onderzoek. De nieuwe code bevat duidelijke normen die onderzoekers van veel verschillende onderzoeksorganisaties kunnen toepassen in de dagelijkse praktijk”.

Nieuwe elementen

Samenwerking tussen wetenschappers van NIOZ, TNO, Deltares, Universiteit Utrecht en de Vrije Universiteit van Amsterdam. Foto: Helge Niemann

Enkele opvallende elementen in deze code, ten opzichte van de vorige versie, zijn:

  • De nieuwe gedragscode is zo geschreven dat deze van toepassing kan zijn op zowel het publieke als het publiek-private wetenschappelijk onderzoek in Nederland.
  • In de gedragscode wordt nadrukkelijk ruimte geboden voor samenwerking en multidisciplinariteit: de code houdt rekening met de verschillen tussen (onderzoeks)instellingen. De gedragscode definieert vijf principes van wetenschappelijke integriteit, 61 normen voor goede onderzoekspraktijken en zorgplichten voor de instellingen.
  • Nieuw in deze gedragscode zijn de zorgplichten voor de instellingen. Hiermee tonen de onderzoeksorganisaties dat zij verantwoordelijk zijn voor het creëren van een werkomgeving waarbinnen goede onderzoekspraktijken worden bevorderd en geborgd.
  • Bovendien maakt de nieuwe gedragscode wetenschappelijke integriteit onderscheid tussen schendingen van de wetenschappelijke integriteit, bedenkelijk gedrag en lichte tekortkomingen.
  • In het laatste hoofdstuk staat beschreven hoe een instelling om moet gaan met potentiële schendingen van de wetenschappelijke integriteit.
  • De code laat aan de ene kant ruimte aan de instellingen om tot een gebalanceerd oordeel te komen over potentiële schendingen van de wetenschappelijke integriteit, maar noemt de wegingscriteria die daarbij een rol spelen expliciet.

Het laatste punt maakt goed duidelijk hoe de code gezien moet worden: als een handreiking die onderzoekers en instellingen zelf kunnen en zullen toepassen.

Commissielid prof. dr. Lex Bouter: “Met deze code maken de aangesloten organisaties duidelijk dat integriteit voor hen een essentieel element van de onderzoekspraktijk is. We willen dat onderzoekers kunnen werken in een open omgeving waar zij zich verantwoordelijk en aanspreekbaar voelen. Alleen als mensen dilemma’s kunnen delen en fouten kunnen bespreken, komt de wetenschap verder. Met deze code hebben we hier een bijdrage aan willen leveren.”

Commissie

De nieuwe code is van toepassing is op zowel fundamenteel als praktijkgericht onderzoek. Foto: Sylvia Walter

De volledige commissie bestond uit de volgende leden:

Prof. dr. Keimpe Algra (voorzitter), Prof. dr. Lex Bouter, Prof. mr. dr. Antoine Hol, Mr. dr. Jan van Kreveld, Dr. Daan Andriessen, Prof. dr. mr. Catrien Bijleveld, Prof. dr. Roberta D’Alessandro, Prof. dr. Jenny Dankelman en Prof. dr. Peter Werkhoven.