Schuim in Scheveningen gevolg van veel algen en harde noordenwind

Gepubliceerd: 5 juni 2020

Het metershoge zeeschuim tijdens het fatale ongeluk van vijf watersporters op 11 mei in Scheveningen was zeer waarschijnlijk ontstaan door een uitzonderlijke combinatie van veel algenresten en een voor dit jaargetijde ongebruikelijk harde wind uit het noord-noordoosten. Dat concluderen onderzoekers van verschillende organisaties in een rapport over de oorzaak van de schuimvorming. De auteurs hebben zich moeten beperken tot conclusies die op dit moment het meest redelijk lijken en de beschikbare data zullen nog verder worden geanalyseerd. De onderzoekers adviseren om nu vooral voorlichting te geven aan strandwachters en watersporters, omdat het ontwikkelen van een adequaat geautomatiseerd waarschuwingssysteem tijd zal kosten.

Opgehoopt zeeschuim in de hoek tussen het Noordelijk Havenhoofd en het strand van Scheveningen op 11 mei 2020 (Foto: Veiligheidsregio Haaglanden).

Reconstructie van de laatste vier dagen

Uit de reconstructie van de beschikbare data blijkt dat een samenloop van weersomstandigheden vanaf eind april heeft geleid tot de grote hoeveelheid schuim in de hoek van het Noordelijk Havenhoofd en het strand van Scheveningen. Meest waarschijnlijk is dat in de voorafgaande periode veel zon eerst zorgde voor de groei van uitzonderlijk veel schuimalgen in zee. Rond 7 mei was de bloei aan het afnemen, onder meer door verminderd licht door bewolking en meer menging. Daardoor kwamen de algenresten vrij in zee.

In hun rapport schetsen de onderzoekers het meest aannemelijke scenario op de dag van het ongeval. Op maandag 11 mei stond de noord-noordoostenwind min of meer parallel aan de kust en had aan het begin van de middag kracht 7 Beaufort. De wind dreef het gevormde schuim vervolgens naar het zuiden, waardoor het zich ophoopte tegen obstakels die dwars op het strand in zee steken, zoals het Noordelijk Havenhoofd van Scheveningen. Aan het begin van de avond draaide de wind iets meer naar het noorden en veranderde de stroming, waardoor het opgehoopte schuim zich ging verplaatsen in het gebied tussen het Noordelijk Havenhoofd en het strand van Scheveningen.

Kolonievormende algen

Algenonderzoeker Katja Philippart van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) coördineerde dit onderzoek en licht toe hoe er begin mei zoveel algen in het zeewater aanwezig konden zijn. “Deze soort algen met de wetenschappelijke naam Phaeocystis globosa kan in zee leven in twee vormen: als solitaire cellen of in kolonies. In kolonies worden de cellen bij elkaar gehouden door een slijmachtige matrix, die hen beschermt tegen virusinfecties en vraat door zeedieren. De algencellen zijn dan niet overgeleverd aan het normale ecologische systeem van ‘eten en gegeten worden’ en de schuimalg kan daardoor snel in biomassa toenemen.”

Om kolonies te kunnen vormen, hebben algen zowel veel (zon)licht nodig als een ruime aanvoer van de voedingsstoffen stikstof en fosfaat. Begin mei waren de omstandigheden dusdanig dat de algencellen in kolonies groeiden en zo een veel grotere biomassa bereikten dan in solitaire vorm mogelijk zou zijn. Metingen in het Marsdiep suggereren dat na deze algenbloei de hoeveelheid algencellen in het zeewater dit jaar vier keer zo hoog was als tijdens de gemiddelde piek gedurende de afgelopen tien jaar.

Maar bij een tekort aan licht (minder zon, sterkere menging) valt de kolonie-matrix uiteen. Philippart: “De bewolking van donderdag 7 mei triggerde waarschijnlijk het uiteenvallen van de uitzonderlijke hoeveelheid koloniecellen tot een ongekende hoeveelheid losse, solitaire cellen, waarbij de suikerachtige overblijfselen van de matrix in zee terechtkwamen. Door infecties met virussen sprongen solitaire algencellen al snel open en kwamen ook de eiwitten uit de cellen vrij in het water.”

Berekende concentraties van mariene algen langs de Hollandse kust van 21 april 2020 (links) en 10 mei 2020 (rechts) op basis van satellietbeelden (Sentinel-3 OLCI). Copyright: Water Insight BV, Wageningen

Onderzoekers adviseren meer voorlichting

Ondanks het feit dat de onderzoekers op basis van hun meetgegevens het meest waarschijnlijke scenario voor het ontstaan van de uitzonderlijke hoeveelheid algenschuim op 11 mei hebben kunnen achterhalen, zal het lastig zijn om een betrouwbaar geautomatiseerd waarschuwingssysteem voor watersporters op te zetten, aldus Philippart. “Dan moet je niet alleen de hoeveelheid schuimalg en het schuim nauwkeurig blijven monitoren, je moet ook de actuele windsterkte en -richting real time, tot in groot detail én zeer lokaal kunnen voorspellen. Daarom pleiten wij ervoor om op korte termijn strandwachten, watersportscholen en watersporters meer voorlichting te geven, zodat ze in staat zijn om eventuele ophoping van zeeschuim zelf goed in te schatten.”

De volgende onderzoekers werkten mee aan het rapport:

Katja Philippart (NIOZ en UU), Anouk Blauw (Deltares), Henk Bolhuis (NIOZ), Karen Brandenburg (NIOO en UU), Corina Brussaard (NIOZ en UvA), Theo Gerkema (NIOZ), Peter Herman (Deltares en TUD), Annelies Hommersom (Water Insight), Pascalle Jacobs (NIOZ), Marnix Laanen (Water Insight), Maria van Leeuwe (RUG), Anneke van den Oever (BuWa), Steef Peters (Water Insight), Marc Philippart (Rijkswaterstaat), Jaime Pitarch (CNR), Theo Prins (Deltares), Kevin Ruddick (KBIN), Lazaros Spaias (Water Insight), Dedmer van de Waal (NIOO), Dimitry Van der Zande (KBIN) en Alain Zuur (Highland Statistics)