Publicaties

2875 resultaten

  • Hydraulic modelling of standard and streamlined groynes

    Auteur: Yossef, M.F.M. (2017)

    Purpose of this report is to give an advice on using WAQUA models with the Villemonte option to evaluate the hydraulic effect of streamlined groynes. An additional analysis including the results of three additional simulations has been carried out. As a general conclusion, we do not see sufficient evidence to advise on an approach to model streamlining groynes using the sub-grid weir approach using WAQUA. At this stage, we are not able to generalize the findings into ready-made additional functionality for modelling streamlined groynes in the sub-grid weir model in WAQUA. The analysis and conclusions presented herein are based on numerical simulations using a three-dimensional nonhydrostatic z-Iayer Delft3D model and comparison with a 2D WAQUA model. The 3D model has not been verified for the particular case of flow over weirs. In addition, the model may be relatively short for such analysis. In the absence of model validation, and an improved model, the conclusions need to be considered as preliminary. As the present limited study cannot provide conclusive answers, we recommend extending the research to answer the questions in hand. A physical model experiment would produce the most conclusive results. The numerical analysis could be improved by new 3D simulations with an improved model (viz. validation, longer domain, and more refined vertical resolution) and for a broader range of conditions. Finally, we recommend organising a prototype monitoring programme for measurements around groynes and lowered groynes, particularly during submerged conditions, in order to gain more insight into the flow around groynes and the effect of lowering and streamlining.

  • Zoutverspreiding in het Noordzeekanaal en Amsterdam-Rijnkanaal : analyse van 100-punten-metingen

    Auteurs: Buschman, F.A.; Tiessen, M. (2017)

    Zout dringt vooral bij de sluizen van IJmuiden het Noordzeekanaal binnen. Dit zout verspreidt over het IJ en dringt op momenten het Amsterdam-Rijnkanaal binnen. Sinds het verwijderen van het sluiseiland en de drempel bij Zeeburg zijn bij Diemen in het Amsterdam-Rijnkanaal hoge concentraties chloride gemeten. Het optreden van deze pieken kan niet goed worden verklaard. In deze studie zijn chloride profielen gemeten langs het Noordzeekanaal en de monding van het Amsterdam-Rijnkanaal geanalyseerd. De verdeling van zout langs het kanaal en de verdeling over de diepte is bepaald. De chloride concentratie in de monding van het Amsterdam-Rijnkanaal is gerelateerd aan de afvoer in het Amsterdam-Rijnkanaal gemiddeld over dagen tot maanden voorafgaand aan de 100-punten-meting. Het zout dringt niet verder binnen dan Weesp tijdens deze zes momenten. In de metingen van mei 2017 kwam zout het verst landinwaarts. De afvoer in de 5-10 dagen voorafgaand aan de 100-punten-metingen was het laagst in augustus 2015. Een mogelijke verklaring voor de hogere chlorideconcentratie in mei 2017 is dat meer chloride nabij de monding van het Amsterdam-Rijnkanaal aanwezig was. Mogelijk was het zout dat was binnengedrongen ongeveer 30 dagen voor de 100-punten-meting nog niet volledig weggespoeld naar zee. Een hypothese is gesteld dat de variatie in debiet in het watersysteem door het periodiek spuien van belang is voor menging en daarmee de zoutindringing in het Amsterdam-Rijnkanaal beperkt. Daarnaast is de afvoer bepaald uit metingen bij Wijk bij Duurstede vergeleken met de lokale waterstand om na te gaan of defluctuaties in het debiet realistisch kunnen zijn. Gebleken is dat voor het merendeel van de tijd de fluctuaties in afvoer verklaard worden uit de waterstandsvariaties.

  • De rol van nalevering bij overschrijdingen van de KRW normen in de Zuidelijke Randmeren

    Auteurs: Noordhuis, R.; Roskam, G.D. (2017)

    Doel van dit project was om antwoord te geven op de vraag of voor de Randmeren Zuid de bodem een rol speelt bij de overschrijding van de normen voor nutriënten. De opdracht bestond uit drie onderdelen: 1. Het invullen van de kennisleemtes zoals noodzakelijk is voor het betrouwbaar doorlopen van de criteria van de KRW verkenning waterbodems; 2. Het bepalen van de bijdrage van nalevering aan de totale nutriëntenbelasting van de zuidelijke randmeren en het overschrijden van de fysisch-chemische GEP’s; 3. Relatie tussen fysisch-chemische overschrijdingen en biologische beoordeling.

  • Lowering the flow behind the longitudinal dams : hydraulic effect of measures

    Auteur: Zagonjolli, M. (2017)

    In this report we reviewed some of the measures which could be used for regulating the discharge entering the side channel behind the longitudinal dams. We analyse the effect of several measures for the most upstream side channel, behind the longitudinal dam at Wamel. The results obtained can be used as indicative for the other side channels. In this study we focus on the hydraulic effect of the measures and no morphological analysis has been carried out. The only measure which leads to desired flow decrease on the side channel without influencing the MHW water levels is the closure of the inlet to the elevations agreed during the permission issue (vergunning). The other analysed measures were either not very effective in significantly lowering the discharge entering the side channel or had an effect of more than 1 mm on the MHW water levels.

  • Hydrodynamische modellering Noordzeekanaal en Amsterdam-Rijnkanaal met SOBEK 3 : ontwikkeling en validatie model zonder en met zout

    Auteur: Buschman, F.A. (2017)

    In 2016 is een SOBEK 3 model opgezet voor het Noordzeekanaal, IJ en Amsterdam­Rijnkanaal. Dit model kon toen niet worden gevalideerd, omdat voor de beschikbare set lozingen en onttrekkingen de waterbalans niet sluitend was zonder onrealistische correcties uit te voeren. In 2017 heeft Waternet een set lozingen en onttrekkingen beschikbaar gesteld voor 2015, welke een goed sluitende waterbalans opleveren. Deze set is gebruikt om het SOBEK 3 model opnieuw op te zetten en te valideren. Na het doorvoeren van enkele kleine aanpassingen aan de model schematisatie en het instellen van twee sluitposten in het IJ en bij IJmuiden om de waterstand niet te veel te laten variëren, is het model doorgerekend met deze set lozingen en onttrekkingen. In vergelijking met metingen ligt de berekende afvoer over het algemeen binnen 10%. De waterstand wijkt tot 0,2 m af. Voor toepassingen waarvoor deze afwijkingen toelaatbaar zijn, kan het model voor de situatie van 2015 worden gebruikt. Hoe goed het model presteert hangt in grote mate af van de set lozingen en onttrekkingen die wordt gebruikt. Op verzoek van Rijkswaterstaat is voor dit model ook een variant uitgewerkt waarmee de verspreiding van zout wordt berekend. Om voldoende zout het model in te krijgen bij de sluizen van IJmuiden is een constant debiet opgelegd bij deze sluizen ter grootte van het nivelleringsdebiet en het uitwisselingsdebiet. Hierdoor komt te veel water het model in, wat via het Binnenspui kanaal wordt afgevoerd bij de sluitpost van IJmuiden. Voor de verspreiding van het zout is de dispersiecoëfficiënt berekend uit zoutprofielmetingen langs het kanaal met gebruikmaking van enkele aannamen. Deze dispersiecoëfficiënt moet het zouttransport door een netto zeewaarts transport aan de oppervlakte en een landwaarts transport bij de bodem representeren. De berekende zoutgehalten komen bij de NOSM-pier in Amsterdam aardig overeen met de metingen. Het voorspellende vermogen van deze variant van het model met zout is beperkt door de aannamen voor het zouttransport bij IJmuiden en door de aannamen die nodig waren voor de berekening van de dispersiecoëfficiënt.

  • Modelondersteuning MER zandwinning : modelvalidatie

    Auteurs: Kaaij, T. van der; Kessel, T. van; Troost, T.A.; Herman, P.M.J.; Duren, L.A. van; Villars, M.T. (2017)

    Dit rapport is een achtergrondrapport bij de MER voor winning van suppletiezand voor het kustonderhoud door Rijkswaterstaat en bij de MER voor de winning van ophoogzand door bedrijven aangesloten door de stichting LaMER. Het doel van deze modelstudie is om te bepalen wat het effect van de voorgenomen zandwinningen is op de troebelheid, de primaire productie, en schelpdieren in de gehele Nederlandse kustzone (inclusief de Waddenzee). De modelstudie wordt als basis gebruikt om op basis van expert judgement een inschatting te maken wat de effecten zijn via voedsel op vissen, vogels en zeezoogdieren. Om dit doel te bereiken worden gedetailleerde numerieke modelberekeningen uitgevoerd, die dienen als onderbouwing van de MER. De numerieke modellen zijn opgezet om het effect van zandwinning op het ecosysteem van de Noordzee en de Waddenzee te kwantificeren. Dit rapport beschrijft de opzet en validatie van de modellen voor de waterbeweging, slibverspreiding, en primaire productie die voor de te verwachten effecten van de zandwin-initiatieven gebruikt worden.

  • Pilot assessment eutrophication with satellite data : status 2017

    Auteurs: Blauw, A.N.; Eleveld, M.A.; Prins, T.C. (2017)

    To prepare for the use of satellite data for MSFD eutrophication assessments, this report show the results of a pilot assessment, comparing assessment results based on satellite data and in-situ data for the period 2006-2011. The assessments focussed on 4 Dutch marine assessment areas: "Coastal waters", "Southern Bight offshore", "Oystergrounds" and "Doggerbank". It was found that assessment results based on satellite data were similar to those based on in-situ data, when the growing season mean was used as growing season statistic and satellite products were used that are appropriate for turbid (case 2) waters. The use of a satellite product meant for clear ocean water (case 1) resulted in erroneous classification of "Southern Bight offshore" waters as "problem area". Area means for "Coastal waters" based on satellite data subsampled at MWTL locations were more than twice as high as area means based on the same satellite data at full spatial resolution. This illustrates the potential bias due to spatial under-sampling in areas with strong spatial gradients. Assessments based on growing season mean or medians seemed more robust and less sensitive to temporal under-sampling and outliers than assessments based on 90-percentiles.

  • Validation of Sentinel-3 data in Dutch coastal waters : status 2017

    Auteurs: Blauw, A.N.; Stierman, E.J.; Eleveld, M.A. (2017)

    Ecological assessments for the Marine Strategy Framework Directive (MSFD) require monitoring data of chlorophyll-a to assess the eutrophication status of Dutch marine waters. Traditionally, such monitoring data have been acquired by bi-weekly to monthly monitoring cruises by ship. In recent years an operational monitoring programme by the EU has been started to monitor many variables, including chlorophyll-a, with satellites. For chlorophyll-a in marine waters the Sentinel-3 satellites are suitable. The use of such satellite data for monitoring chlorophyll-a in marine waters for assessments could enable more reliable assessments at lower costs than traditional monitoring by ships. Validation of satellite data from previous (research) satellite missions (MERlS & MODIS) has shown that satellite data can provide data on chlorophyll-a with an appropriate accuracy and precision. This study aims to validate the new Sentinel-3 products for chlorophyll-a, to test if these are reliable enough for use in MSFD assessments for eutrophication in Dutch coastal waters. The validation results have shown that the Sentinel-3 product for relatively clear marine waters (OC4Me) performs slightly better than its predecessor product (Algal-1) from the MERlS satellite. The Sentinel-3 product for turbid coastal waters performs worse than its predecessor product (Algal-2) from MERlS. It underestimates chlorophyll-a concentrations in near-shore coastal waters. Further validation of these products with more data and improved algorithms is required to get a better representation of the validity of the new Sentinel-3 products for MSFD eutrophication assessments.

  • Morfologie Kombergingsgebied Borndiep : KPP 2017 BO03 Waddenzee Kennisontwikkeling morfologie en baggerhoeveelheden

    Auteurs: Oost, A.P.; Cleveringa, J. (2017)

    Dit rapport geeft een overzicht van de actuele kennis van de morfologie van het kombergingsgebied Borndiep (ook wel Zeegat van Ameland), inclusief een overzicht van de beheer- en beleidsvraagstukken, en is bedoeld als de start van de 'beheerbibliotheek' van de kombergingsgebieden van de Waddenzee. Achtereenvolgens worden behandeld: de grootschalige ontwikkeling, beleid, beheer en gebruik, getijdegeulen, wadplaten en kwelders.

  • Hydromorfologische verbetering ED2050 : eerste beoordeling maatregelrichtingen

    Auteurs: Maren, D.S. van; Schrijvershof, R.A.; Smits, B.; Cronin, K.; Wegen, M. van der (2017)

    De doelstelling binnen het spoor Hydromorfologische Verbetering (onderdeel van het Meerjarig Adaptief Programma Eems-Dollard) is het ontwikkelen van maatregelen die een gewenst effect hebben op de morfologische ontwikkeling en op de ontwikkeling van de slibconcentraties in de waterfase. Om een kwantitatief inzicht te krijgen in het effect van deze maatregelen worden diverse modelinstrumenten ontwikkeld. Hiervoor is een ontwikkeltraject uitgezet waarbij de modelinstrumenten afwisselend worden (verder) ontwikkeld en toegepast. Voorliggend rapport beschrijft het effect van maatregelen berekend met een eerste opzet van het modelinstrumentarium. Op basis van deze resultaten zijn verdere ontwikkelpunten voor het model vastgesteld. De gebruikte modellen suggereren dat de meest effectieve maatregel voor het reduceren van de slibconcentratie het onttrekken van slib uit de havens is. Het creëren van accommodatieruimte voor slib via een verlengde punt van Reide of het creëren van een overstromingsgebied lijkt vooral initieel tot een sterke verlaging van de slibconcentratie te leiden, maar op de langere termijn neemt de effectiviteit af. Maatregelrichtingen waarbij zandig materiaal (gebaggerd uit vaargeulen) onttrokken wordt lijken te leiden tot een getijamplificatie en toename van de slibconcentraties in het Eems estuarium ten zuiden van Delfzijl. Het aanleggen van een meander in de Dollard lijkt te leiden tot een afname van de getijamplitude en een afname in de slibconcentratie. De onzekerheid over de effecten van deze maatregelrichting is echter groot vanwege de benodigde aannames voor en tekortkomingen van het model. De belangrijkste benodigde modelaanpassingen zijn de zeewaartse randvoorwaarden, het beter modelleren van golven, en een verbeterde parameterisatie van slib in het morfodynamische model.

34Page 5 of Array567