Lezen van de ondergrond
In een Fries weiland boren onderzoekers van Deltares tot twee meter diep in een veengrond om duizenden jaren aan landschapsgeschiedenis te onthullen. In het veld hopen Sanneke van Asselen en Gilles Erkens er achter te komen hoe de veenbodems zijn ontstaan en wat de veeneigenschappen zijn. Deze kennis is nodig om te begrijpen welke bodemprocessen onder welke omstandigheden optreden en hoe deze leiden tot bodemdaling en broeikasgasemissies.
Met vereende krachten duwen Sanneke van Asselen en Gilles Erkens een guts twee meter diep een Fries weiland in. Hun boringen leveren bodemmonsters op waaruit allerlei informatie wordt gehaald, voor het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOBV). Daarin onderzoekt Deltares samen met andere kennisinstellingen en universiteiten hoe bodemdaling en broeikasgassenuitstoot in gebieden met veenbodems te verminderen is.
Veenafbraak
“Met dit soort boringen kijk je duizenden jaren terug in de tijd, lees je de geschiedenis van het landschap”, vertelt Sanneke, expert bodemdaling bij Deltares. “Van zand uit de laatste IJstijd tot verschillende soorten veen. Het type veen is te herkennen aan de plantenresten die erin voorkomen en zegt iets over de vormingscondities. Bruin veen met plantenresten duidt op vers veen, afgebroken veen heeft geen of weinig herkenbare plantenresten meer en is zwart en brokkelig.”
Een belangrijk oorzaak van veenafbraak in het Nederlandse veenweidegebied is het laag houden van slootpeilen. Hierdoor worden de grondwaterstanden ook verlaagd, komt het veen in aanraking met zuurstof en breekt het organische materiaal waar het uit bestaat, af. Dit verdwijnt als CO2 in de atmosfeer, én leidt tot bodemdaling.

Effectiviteit maatregelen
Veenafbraak in de Nederlandse weidegebieden veroorzaakt naar schatting 3,5 procent van de totale Nederlandse CO2-uitstoot. In het Klimaatakkoord zijn afspraken gemaakt over het beperken van de broeikasgasuitstoot (CO2, methaan (CH4 ) en lachgas (N2O) uit veenweidegebieden. Die moet in 2030 met 1,0 Mton CO2-equivalenten per jaar zijn verminderd.
In het NOBV, gefinancierd door het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), wordt onder andere onderzoek gedaan naar de effectiviteit van maatregelen tegen broeikasgasuitstoot en bodemdaling. Om de emissies beter te voorspellen, willen de onderzoekers eerst weten wat nu feitelijk de huidige emissie is uit veengebieden en welke rol bijvoorbeeld bodemleven en veentype spelen bij de veenafbraak. Daarnaast brengen ze de effecten op bodemdaling in beeld.
Het onderzoek is verlengd en loopt tot en met 2028. Nu ligt de focus op het toetsen van nieuwe maatregelen, zoals klei in veen en greppelinfiltratie. Sanneke legt uit: “Als we klei in de toplaag van een veenbodem brengen, zou dat theoretisch kunnen leiden tot minder veenafbraak, doordat organische bestanddelen een verbinding aangaan met de kleidelen. Bij greppelinfiltratie wordt door middel van watervoerende greppels in een veenweideperceel geprobeerd de grondwaterstand hoog te houden, of eigenlijk minder diep uit te laten zakken in droge perioden.” Daarnaast kijken de experts naar emissies uit natuurgebieden, natuurontwikkeling en natte teelten en komen er nog steeds nieuwe meetlocaties bij.

Geheimen ontrafelen
In de Friese Brekkenpolder proberen Sanneke en haar collega Gilles de processen achter veenafbraak en bodemdaling te ontrafelen. Vandaag steken ze op een referentieperceel een koolstofprofiel. “De kolommen grond die we bovenhalen snijden we los en verpakken we luchtdicht om naar het lab te brengen”, legt Sanneke uit. “Daar worden de boorkernen elke vijf centimeter geanalyseerd op dichtheid, organische stofgehalte, koolstofgehalte, en aanwezigheid van verschillende mineralen.”
“Ook met het blote oog vertellen de boringen je al heel wat verhalen”, wijst Sanneke boven de guts. “Bestaat het veen uit riet, zegge of mos? Dit zegt iets over de omgeving waarin het veen is ontstaan, hoe nat, en hoe voedselrijk het was. Of zit er hout in het veen, dan stond er vroeger een bos op deze plek. Zie je een kleilaagje, dan kan er een overstroming zijn geweest, en een zwarte afgebroken laag veen wijst juist op droogte.” De onderzoekers willen begrijpen hoe het landschap zich heeft ontwikkeld, want “dat geeft aanwijzingen voor toekomstige ontwikkelingen”, volgens Sanneke. “Al deze informatie helpt bij het voorspellen van verdere broeikasgasuitstoot en bodemdaling.”
Invloedrijke factoren
Sanneke en haar collega’s onderzoeken op meer dan twintig locaties in veenweidegebieden in Nederland welke processen in de bodem bodemdaling en broeikasgasemissie veroorzaken. Sanneke: “We willen precies weten hoe en waarom veen afbreekt, welke fysische, chemische en biologische factoren zijn hierop van invloed? Wat is de geschiedenis van het landschap en hoe zal het zich verder in de toekomst ontwikkelen, onder bepaald beheer en in een veranderend klimaat? Het zijn complexe systemen die we proberen te begrijpen op basis van veldmetingen, lab-analyses, en modelberekeningen.”
Andere vragen waarop Sanneke antwoord wil krijgen, zijn: welke factoren beïnvloeden de mate en snelheid van bodemdaling? Veranderen de grondwaterstanden veel en hoe verhoudt zich dit tot de slootpeilen? Welke interacties treden er op tussen veenafbraak en het samendrukken van de bodem? Sanneke: “Met een beter begrip van de processen kunnen we de effectiviteit van maatregelen onder verschillende omstandigheden veel beter voorspellen.”

Weg bij het scherm
Sanneke en Gilles trekken al sinds hun promotietijd samen de veenweidegebieden in om boringen te zetten en monsters te analyseren. Ze hebben weinig discussies in de Friese polder, “we hebben aan een half woord genoeg”, lacht Sanneke. Veldwerk is het leukste onderdeel van het onderzoek voor haar. “Ik vind het heel lekker om buiten te zijn, weg van het laptopscherm. In het veld krijg je echt een beter begrip van hoe het water- en bodemsysteem werkt, door het te zien en te voelen krijg je gevoel bij de data.”
Ook de ontmoetingen met boeren geven haar veel energie. “Gedempte sloten, dat er met oostenwind meer kwel komt, is er diep geploegd; dat soort informatie krijg je alleen van boeren of beheerders van het land. Dat helpt allemaal bij begrip krijgen van het systeem.”